KOOITAAL"Vier krikkies en twee oostvogels zitten aan de vanderhandse kant op de sating van de kooihuispijp in de luwte van de rietweeg".Begrijpt u hier nog iets van ? In de woordenschat van de nederlandse taal is de eendenkooi niet meer weg te denken. Dat familienamen, veldnamen, straatnamen e.d. hiervan worden afgeleid heeft u wellicht in uw omgeving kunnen zien. Maar de kooikers hebben een heel eigen woordenschat. Van deze kooitaal vindt u hier een aantal woorden nader toegelicht. Verspreid door de website heeft u al kennis kunnen maken met de "taal der kooikers" een schat aan termen, specifiek woordgebruik, een cultureel bijna vergeten woordgebruik, maar 't klinkt wel zo mooi in de kooi....... |
HET KOOIKERSWOORDENBOEK | |
| Aasgebieden | Ook wel fourageergebieden gebieden waar de eenden heen vliegen om voedsel te zoeken. Ze gaan dan fourageren of aasen. |
| Afpalingscirkel | Rustgebied rondom de eendenkooi, aangegeven door afpalingspalen. Hierbinnen mag de rust voor de eenden niet verstoord worden. |
| Beugels | De ronde bogen boven de vangpijp waar het net of gaas op rust. Als ze recht en plat op de schermen liggen ook wel: liggers. |
| Blauwgoed | Verzamelnaam voor alle andere eendensoorten dan de wilde eend; ook wel als halven of halfgoed aangeduid. |
| Blindscherm | Scherm naast de kortschermen waarachter de kooiker ongezien naar voren kan lopen. Ook wel Loopscherm genoemd. |
| Blindgang | Het pad achter het Blindscherm. |
| Blind | "De pijp is blind": door de kromming is het eind niet te zien. |
| Boterbuik | Eendensoort: Grote Zaagbek |
| Borst, de | De zitwal (de oeverstrook) tussen twee vangpijpen. |
| Bovenlanders | De wilde eenden die uit Noordoost Europa komen (trekeenden). Ook wel als oostvogel, puntkontje, bolkoppie, noordse boutjes, wintervogel, aangeduid. |
| Broedkorf | Ook wel eendetuit : gevlochten mand waar de eenden in nestellen. Een veilige beschutte broedplaats. |
| Buitenpijp | Vangpijp die niet aan een aparte kooiplas ligt, maar langs vrij open water. |
| Eendenkooi | Ook wel afgekort als Kooi, vroeger wel als Vogelkooy vermeld. Ook wel Koai. Het geheel van kooibos, kooiplas, rietschermen en vangpijpen. |
| Een trek doen | Een voer- en vangpoging in de vangpijp. |
| Gèrt | (Twee gèrden) de (knot-)wilgen langs het rietscherm |
| Gezeete, de | Ook wel de zeeting, zate, sating, borst, zaat, zeete genoemd. Het is de gemaaide walkant langs de plas (de oeverstrook). |
| Gloepe, de | Ook wel de Groepe, kroepie, kist, jaagkorf, knippe genoemd. Het is het vanghokje aan het einde van de vangpijp. |
| Griet | Eendensoort, ook wel Grietfügel. Bedoeld wordt een Krakeend. |
| Heele | Ook wel volle, de soort Wilde eend. Deze brengt namelijk de volle of hele prijs op. Dit in tegenstelling tot de halven. |
| Hondegat | Poortje voor de hond (gat) in het rietscherm waar deze doorheen kan lopen. |
| Horde, Horre | Van wilgenhout gevlochte schot of tuin, betuining langs het vangpijpuiteinde of langs de oever als beschoeiing. |
| Kortscherm | Kooischerm, jaagscherm, voerscherm dit zijn enige los van elkaar staande kort coulisseschermen naast de vangpijp. |
| Kooikeren | Het vak van kooiker beoefenen. Ook wel bekooien. |
| Kooiker | Kooiman, kooibaas, kooiboer, loerboer: degene die de eendenkooi onderhoud en de eenden vangt. |
| Kooihond | Kooikertje, afgericht hondje dat de eenden lokt. |
| Kooikersgreep | Snelle manier om een eend te doden. |
| Kooiplas | Ook wel wed, kooiwed, dobbe, kolk, pit, kooiput de waterplas in het midden van de eendenkooi. |
| Kooipaal | Paal met afpalingsbord als markering van de afpalingscirkel. Daarbinnen is de rust wettelijk geregeld en mogen de eenden niet verstoord worden. |
| Kooiboet | Kooitent, kooikeet, kooihuisje op de eendenkooi, staat meestal ergens in de rand of hoek van het kooibos. Dient voor opslag van gereedschap en voer. Ook voor evt. overnachting van de kooiker. |
| Kooirecht | Zakelijk recht om eenden te mogen vangen. |
| Knobbe | Eendensoort, ook wel: boutje, kuifje, duikertje bedoeld wordt een kuifeend. |
| Krikkie | Eendensoort, ook wel Krik bedoeld wordt een wintertaling. |
| Lange mat | Lang aaneengesloten rietscherm in plaats van meerdere kortschermen. Bij sommige kooitypen onderscheidend van belang, dan langematkooi. |
| Lepelbek | Eendensoort, ook wel Slobbek, Slobber, bedoeld wordt een slobeend. |
| Loergat | Kijkgaatje in het rietscherm. Dan kun je op de plas of in de vangpijp kijken. |
| Lokstal | Ook wel voereenden, pijpeenden, makke eenden dit zijn tamme eenden die dagelijks op het voer komen. |
| Makkehok | Ook wel wenhok of kouwe. Hok (soms aansluitend op de vangpijp) voor de makke eenden. |
| Monsteren | Vangen van de woerden van de eigen makke eenden. |
| Noaloop | Achterste gedeelte van de vangpijp waarin de kooiker zonder vanaf de plas gezien te worden de eenden kan nalopen. |
| Opmaken | Ook wel kooimaken de eendenkooi vangklaar maken. |
| Rietweeg | Ook rietschut, rietmat, rietscherm, luiting, benamingen voor de schuttingen van riet. |
| Ril | Ook wel kreen of schis het schuw zijn van de wilde eenden. |
| Roodkop | Eendensoort, ook wel Blokeend, bedoeld wordt de tafeleend. |
| Ringkooi | Eendenkooi die gebruikt wordt voor het wetenschappelijk ringonderzoek aan watervogel-soorten. |
| Scherp end | Ook wel scherpe eind. Het is het fuikvormige uiteinde van een vangpijp. |
| Spartelkorf | Of spartelton, mand naast het vanghokje om de gevangen eenden in te doen. |
| Spegel | Of spiegel. Schuine bijna vertikaal geplaatst net aan het einde van de vangpijp. Hier komt de wind en valt het licht door heen. (U ziet er bij de tentoonstelling een gebouwd). |
| Scharmpie | Eendensoort, ook wel gegelke. Bedoeld wordt het Nonnetje. |
| Vlucht | Flecht, vliegstal, groep eenden die thuishoren op de kooi. |
| Vaandse kant | Ook wel vanderhandse kant, de andere kant van de vangpijp dan waar de kooiker loopt (veelal de binnenbocht). |
| Vangarm | Ook wel: hutte, hudde, hoerde, keel , kèle, piep, fangpipe, dat zijn allemaal namen voor de vangpijp. |
| Verkooid | Of afgekooid, eenden die zich door ervaring niet meer laten vangen. |
| War | Oude rekeneenheid om de vangst te tellen: 1 war is: 1 wilde eend 2 smienten 1 pijlstaart plus 1 taling 3 talingen 1,5 krakeend of pijlstaart |
| Winterkooi | Eendenkooi die voornamelijk trekeenden vangt die na 1 november komen. |
| Wuunder | Eendensoort, ook wel: waard, weeke, eark. Bedoeld wordt een mannetjes eend: de woerd. |
| IJzen | Op de bevroren kooiplas het ijs open hakken, zodat de eenden ook in de winter open water hebben. |
| Zomerkooi | Deze eendenkooi vangt voornamelijk eenden uit de eigen omgeving, veelal voor 1 november. |